NA HET ONDENKBARE

De afgelopen weken waarin ik er alles aan deed om haar te
ontwijken hebben alles van me gevergd, en ik kan het niet meer volhouden. Ik
dacht dat ik sterk was door uit haar buurt te blijven, maar ik word er alleen
maar zwakker van. Ik weet dat ik hier niet moet zijn, en dat ze me hier niet
wil hebben, maar ik moet haar zien. Ik moet haar horen, ik moet haar aanraken,
ik moet haar tegen me aan voelen, want dat weekend met haar was de eerste keer
sinds jaren dat ik weer vooruit kon kijken.

Ik heb nog nooit vooruitgekeken. Ik heb altijd naar het
verleden gekeken. Ik denk veel te veel aan mijn verleden, aan de dingen die ik
had moeten doen en alles wat ik verkeerd heb gedaan, en nooit leefde ik ergens
naartoe. Als ik bij haar ben moet ik altijd denken aan de dag daarop, en dan
weer aan de dag daarop, en vervolgens het jaar erop en tot in de eeuwigheid. Ik
heb dat nodig, want als ik haar niet nog een keer vast kan houden… dan ben ik
bang dat ik weer ga terugdenken aan het verleden en dat het me helemaal
opslokt.

Ik pak de vensterbank beet en sluit mijn ogen. Ik haal een
paar keer diep adem om mezelf te kalmeren, en om ervoor te zorgen dat mijn
handen niet meer zo beven.

Ik baal ervan dat ze haar raam altijd van het slot laat. Ik
duw het een beetje open, schuif de gordijnen opzij, duw de ene vleugel helemaal
naar binnen en laat me een beetje onhandig over de vensterbank vallen. Ik
overweeg iets te zeggen zodat ze weet dat ik in haar kamer sta, maar ik wil
haar ook niet bang maken als ze wel slaapt.

Ik draai me om, doe het raam weer dicht, loop naar haar bed
en buk langzaam. Ze is de andere kant op gericht, dus ik til de dekens op en
schuif naast haar in bed. Ze wordt meteen zo stijf als een plank en gaat met
haar handen naar haar gezicht. Ik weet dat ze wakker is en ik weet dat ze weet
dat ik het ben die nu naast haar ligt, maar dat ze er zo bang van wordt, maakt
mij aan het schrikken.

Ze is bang voor me. Ik verwachtte niet dat ze zo angstig zou
reageren. Boos, dat wel. Ik had veel liever dat ze boos was dan bang.

Ze zegt nog niet dat ik moet gaan, en ik denk ook niet dat
ik zou gehoorzamen als ze dat wel deed. Ik moet haar in mijn armen voelen, dus
ik kruip dichter naar haar toe en laat mijn arm onder haar kussen glijden. Ik
sla mijn andere arm om haar heen, laat mijn vingers tussen de hare glijden en
begraaf mijn gezicht in haar nek. Haar geur en haar huid en het voelen van haar
hartslag tegen onze handen is precies wat ik nodig heb, vanavond nog meer dan
ooit tevoren. Ik moet weten dat ik niet alleen ben, zelfs al heeft ze er geen
weet van hoeveel het me helpt dat ik haar kan vasthouden.

Ik kus haar zachtjes op de zijkant van haar hoofd en trek
haar dichterbij. Ik verdien het niet om weer op haar bed te liggen, om weer in
haar leven te zijn, na alles. Op dit moment staat ze het toe; ik mag er zijn.
Ik wil er niet aan denken hoe dat over een paar minuten zal zijn. Ik ga niet
denken aan wat er allemaal in het verleden gebeurd is. Ik kijk niet vooruit of
terug. Ik hou haar nu gewoon vast en denk aan dit. Nu. Zij.

Ze heeft al bijna een halfuur niets gezegd, maar ik ook
niet. Ik verontschuldig me niet, want ik verdien haar vergeving niet. Dat is
ook niet de reden waarom ik hier ben. Ik kan haar niet vertellen wat er
gebeurde, omdat ik nu nog niet wil dat ze het weet. Ik weet niet wat ik moet
zeggen, dus hou ik haar maar vast. Ik kus haar haar en bedank haar stilletjes
dat ik weer kan ademen.

Ik vouw mijn arm zo dat ik haar steviger vast kan houden. Ik
probeer mezelf bijeen te houden. Ik probeer het heel hard. Ze haalt diep adem
en zegt iets tegen me, voor het eerst in een maand tijd.

“Ik ben zo verschrikkelijk kwaad op jou,” fluistert ze.

Ik knijp mijn ogen dicht en duw wanhopig mijn lippen tegen
haar huid. “Ik weet het, Lara.” Ik glijd met mijn hand om haar heen om haar
dichterbij te trekken. “Ik weet het.”

Ze laat haar vingers tussen de mijne glijden en knijpt in
mijn hand. Het enige wat ze doet is in mijn hand knijpen, maar dat kleine
gebaar betekent op dit moment meer voor me dan ik haar terug kan geven. Haar
geruststelling, zelfs op de kleinste manier, is meer dan ik van haar verdien.

Ik druk mijn lippen tegen haar schouder en kus haar
zachtjes. “Ik weet het, meisje,” fluister ik weer terwijl ik doorga met het
kussen van haar nek. Ze reageert op mijn aanraking en mijn kusjes, en ik wil
hier voor altijd blijven. Ik wou dat ik de tijd kon stilzetten. Ik wil het
verleden en de toekomst laten voor wat ze zijn en me voor altijd alleen
bezighouden met wat er op dit moment gebeurt.

Ze reikt omhoog en gaat met haar hand over de achterkant van
mijn hoofd, en trekt me nog harder naar haar nek toe. Ze wil dat ik hier ben.
Ze wil net zo graag als ik dat ik hier ben, en nu ik dat weet, wil ik de tijd
nog iets langer stopzetten.

Ik kom omhoog naast haar en trek voorzichtig aan haar
schouder totdat ze plat op haar rug ligt, en me aankijkt. Ik veeg het haar voor
haar ogen weg en kijk naar haar. Ik heb haar zo gemist en ik ben zo bang dat ze
weer bij zinnen komt en me verzoekt om te vertrekken. God, wat heb ik haar
gemist.

“Ik weet dat je kwaad op me bent,” zeg ik, en ik streel met
mijn hand over haar nek. “Ik wil dat je kwaad op me bent, Lara, maar wat ik nog
liever wil, is dat je me ondanks je woede toch hier bij je wilt hebben.”

Ze blijft me strak aankijken en knikt amper. Ik leun met
mijn voorhoofd tegen het hare en hou haar gezicht vast, en zij doet hetzelfde.

“Ik ben woedend op jou, Esme,” zegt ze. “Maar hoe kwaad ik
ook ben geweest, er is geen seconde voorbijgegaan dat ik niet wenste dat je bij
me zou zijn.”

Ik kom in ademnood als ik die woorden hoor, en
tegelijkertijd vult ze ook mijn longen met haar lucht. Ze wil me hier hebben en
het is het beste gevoel van de hele wereld. “Allemachtig, Lara. Ik heb je zo
vreselijk gemist.” Het voelt alsof ze mijn hartslag is, en als ik haar niet
ogenblikkelijk zou kussen, zou ik doodgaan.

Ik ga met mijn hoofd naar beneden en duw mijn mond op de
hare. We halen diep adem op het moment dat onze lippen elkaar raken. Ze trekt
me naar zich toe en verwelkomt me weer in haar leven. Onze monden zitten
wanhopig tegen elkaar aan gedrukt, maar onze lippen zijn bewegingloos, en we
proberen allebei te ademen. Ik ga iets naar achteren, want het gevoel dat ze
onder me ligt en dat ze welwillend haar mond tegen de mijne heeft gedrukt overweldigd
me. Er heeft nog nooit iets zo perfect gevoeld in mijn hele leven. Zodra mijn
lippen van haar loskomen, kijkt ze in mijn ogen en ze slaat haar armen om mijn
nek. Ze komt iets omhoog en brengt haar mond weer bij de mijne. Dit keer kust
ze mij, en drukt zachtjes mijn lippen uit elkaar met de hare. Als onze tongen
elkaar vinden, kreunt ze en duw ik haar tegen de matras, zodat ik haar dit keer
kus.

Tijdens de daaropvolgende minuten verliezen we onszelf in
iets wat als complete perfectie aanvoelt. De tijd staat stil, en het enige
waaraan ik denk terwijl we zoenen, is hoe dit mensen redt. Momenten als deze
met mensen zoals zij maken alle lijden de moeite waard. Op momenten als deze
kijken mensen weer vooruit, en ik kan niet geloven dat ik een hele maand heb
geweigerd zulke momenten te beleven.

Ik weet dat ik tegen haar gezegd heb dat ze nog nooit echt
gekust is, maar tot dit moment was dat voor mij ook het geval. Niet op deze
manier. Elke kus, elke beweging, elke kreun, elke aanraking van haar hand tegen
mijn huid. Ze is mijn reddende engel. Mijn Lara.

En ik zal haar nooit meer in de steek laten.

Esmeralda

Graag jouw waardering
voor dit verhaal op de “
DUIMPAGINA” en/of reactie hier onder.