TUSSENDOORTJE

Voor het feest heb ik een elegant grijs pak aangetrokken. In
de keuken zie ik een dweil liggen, die precies dezelfde kleur heeft als mijn
kleding. De dweil is droog. Ik pak het ding, rol het op en sla het om mijn
hoofd, knoop de uiteinden vast in mijn nek en schik mijn haar erover heen. Het
ziet er werkelijk fantastisch uit; het lijkt wel een design-hoofddeksel. ‘Elegant,’
zeg ik goedkeurend tegen mijn spiegelbeeld. ‘Dat mist Leo nu allemaal!’ Als ik
binnenkom op het feest, drukt de gastvrouw me een of ander exotische cocktail
in mijn hand.

“Hoe is het er nu mee?” vraagt ze nieuwsgierig. Daarmee
doelt ze op de Ellendige Zaak, zo noem ik dat in gedachten sinds Leo mij een
jaar geleden heeft verlaten voor een jongere vrouw. Het ergste aan de hele
kwestie is dat ik, in mijn hondstrouwe onnozelheid, niet in de gaten heb gehad
dat hij me al drie jaar met haar bedroog.

“Je ziet er goed uit.” Ik knik en zie dat zij niet de enige
is, die dat is opgevallen. Een kleine enigszins gezette man grijnst begeerlijk
naar me.

Laat op de avond, raak ik met hem in gesprek. Hij heet Arie
en is beslist geen knap exemplaar, maar heeft iets aantrekkelijks. Ik geniet
ervan dat hij met zijn status schermt en me ervan poogt te overtuigen dat hij
een Belangrijk & Interessant beroep heeft. Hij lijkt te willen
uitschreeuwen.

“Ik verdien veel geld en reis de hele aardbol af. Als je
eens wist wat ik allemaal heb meegemaakt. Dit heeft mij gevormd tot een
doorleefd en gesloten mens – ik heb al heel wat lijken gezien-; welk schepsel
Gods weet tot mij door te dringen?”

Hoe dan ook… hij prikkelt me. Een aantal cocktails verder,
sta ik midden in de kamer met Arie te zoenen. Hij vraagt of ik met hem mee wil
en trekt een dure overjas aan.

De taxichauffeur bekijkt me ondeugend, alsof hij direct ziet
dat ik een dweil om mijn hoofd heb en categoriseert door middel van één blik
mijn metgezel. We gaan achterin zitten. Arie is erg dronken en zit aan me. De
taxichauffeur, knipoogt naar me via de autospiegel. Mijn partner noemt een
straatnaam.

“Kom,” zegt hij, “wat vind je ervan, zullen we eerst nog
even ergens wat coke gaan scoren?” De taxichauffeur kijkt smalend achterom. Je
kunt zijn minachting bijna ruiken. “U zegt het maar, waar we naar toe moeten.”

“Nou vind je ervan?”

“Als jij coke wil, mij best. Ik hoef niet, heb al genoeg
gezopen.” Enigszins teleurgesteld kijkt Arie mij aan, ik haal mijn schouders
op. In Zuid stoppen we voor zijn woning. Mijn partner betaalt en stapt uit. De
taxichauffeur loopt om de auto heen en doet de deur voor me open, als ik
uitstap, fluistert hij me toe.

“Nou meid, veel succes vanavond met die dweil.” En hij knikt
in de richting van mijn metgezel.

“Ik dacht even dat u mijn haarband bedoelde,” fluister ik
terug. “Ik heb een dweil om mijn hoofd. Echt, kijk maar.”

“Verrek,” zegt de chauffeur.

De grootte van de woonkamer, de smaakvolle meubels imponeren
me. Arie loopt op me af en begint me te zoenen. Woest trekt hij aan mijn
kleren. De knopen springen van mijn grijze jasje. Snel glijden al onze kleren
op de grond en gaan we naar de slaapkamer. Als we op bed liggen zegt hij.

“Naakt bevalt me niet. Ga naar de kamer en trek je jasje
aan.” Zijn toon is zo bevelend dat mijn hart opspringt en ik hem subiet
gehoorzaam. Met mijn jasje aan, kom ik binnen. “Het is nog niet goed,” zegt
Arie terwijl hij me hijgend bekijkt. “Ga naar de kamer en doe je broek aan.”
Weer gehoorzaam ik direct, ik hoor hem kreunen. En als ik weer binnen kom
fluistert hij schor.

“Je hakken, je vergeet je schoenen.” Ik loop de woonkamer
binnen en trek mijn schoenen aan. Op mijn hakken wandel ik de slaapkamer
binnen. Hij ligt op bed aan zijn geslacht te trekken.

“Kom boven me staan!” beveelt hij. “Schuif je jasje eens
opzij. Ik wil je borsten zien. Doe je broek los. Ja, goed zo. Vinger jezelf.”
Ik mag hem wel zeker een half uur niet aanraken, alleen maar aan mezelf zitten
en absoluut geen kledingstukken uitdoen. Hij komt dichtbij, ruikt aan me,
beweegt met mijn bewegingen mee, maar raakt me geen moment aan.

“Je wilt te graag,” zegt hij. “Niet willen! Nee, niet
willen.” Verstijfd val ik uiteindelijk voorover op mijn buik. Ik wil zo graag.
En dan eindelijk als slotakkoord, stroopt hij hardhandig mijn broek van mijn
lijf; duwt mijn armen met geweld op mijn rug, waardoor ik mijn lichaam moet
strekken en laat dan mijn polsen los, waardoor ik zucht en me ontspan, niet op
hem bedacht – op dat moment penetreert hij me, en als ik kreun van genot,
verlaat hij plotseling mijn lichaam. Ik brom teleurgesteld waarop hij me als
een dolle hond begint te likken. Zijn kwijl loopt in een spoor over mijn benen
naar mijn geslacht. Het gaat maar voort; wel – niet, even- dan weer wat langer.
Weer dringt hij binnen. Ik voel zijn tanden in mijn schouderblad. De vlammen
slaan uit mijn kruis, ik zou best zo willen sterven, en opeens stort hij zijn
zaad, onverwachts, en hij brult als een beest. Schokkend kom ik klaar alsof ik
de slappe lach heb, hikkend, met korte stoten, in eindeloos getril. Zo extreem
dat de aders in mijn gehele lijf kloppen en op de raarste plekken plotseling
steken.

Mijn kleren plakken, mijn lichaam glimt van het zweet. Ik
trek mijn kleren uit om te gaan slapen, echter, kan de slaap niet vatten. Ik
draai onrustig in het grote bed en kijk naar de man naast mij. Hij snurkt en
dat doet me plezier, meestal ben ik degene die snurkt en direct na de daad in
slaap valt. Zijn gezicht is verweerd en pokdalig, zijn mond hangt open. Ik klim
voorzichtig over hem heen en haal mijn sigaretten en een asbak uit de
woonkamer. Even wordt hij wakker als ik me naast hem installeer met een
sigaret. Hij kijkt op en slaapt weer verder. Ik rook en ben zo moe. Met Leo in
mijn gedachten, glij ik weg in een rusteloze slaap.

Het duurt even tot ik begrijp waar ik ben. Arie trekt boos
aan mijn arm en slaat met iets op de matras, de kamer is gevuld met rook. Dan
begrijp ik wat er gebeurd is, ik ben met een brandende sigaret in slaap
gevallen en de matras heeft vlam gevat. De smeulende matras is zo gedoofd,
alleen zit er nu een gat in het laken. Als het raam open staat, trekt de rook
zo weg. Al met al valt het reuze mee en weldra vallen we allebei in slaap.

De volgende morgen ontbijten we uitgebreid met croissants en
koffie. Ik blader op mijn IPhone door de erotisch advertenties en vraag. “Zeg,
ga je eigenlijk vaak naar de hoeren?” Arie kijkt me aan, alsof hij me niet
begrijpt. “Kom,” zeg ik, “Je bent zo handig met condooms. Je hoeft je toch
nergens voor te schamen?” En ik leg de meest hartelijke en begripsvolle
intonatie die ik voorhanden heb in mijn stem, in de hoop dat hij mijn
nieuwsgierigheid bevredigt.

“In België…”, aarzelt hij, “… niet zo vaak.” Hij kijkt
schuchter.

“In Zuid-Amerika veel vaker,” raad ik en aan zijn blik zie
ik dat het een schot in de roos was. Ik knipoog en zwiep verder. Arie en ik
praten, tussen de koffie en croissants over kunst en politiek. Heel
oppervlakkig, heel prettig. Ik voel me bij hem op mijn gemak. Uit zijn woorden
begrijp ik dat mijn bezoek een eenmalige aangelegenheid is en dat kwetst me.
Het lijkt me het verstandigst om me er voorlopig bij neer te leggen. Ik kom hem
beslist nog wel eens tegen. Bovendien heb ik mijn sporen al achtergelaten; een
gat in zijn lakens, een dweil in de badkamer…

Dorien

Graag jouw waardering
als reactie onder dit verhaal?