OCHTENDVUUR

In het koude heldere uur voor zonsopgang werd Lena huiverend
wakker. De houthakkers hut was de vorige avond maar net op tijd in de
toenemende duisternis opgedoemd. Als sinds de middag besefte de groep dat ze
verloren waren gelopen. Aangezien ze niet konden vinden waar ze de fout in
waren gegaan hadden ze er alles aan gedaan om dezelfde rechte lijn te volgen.
Eigenlijk vond Lena dat ze beter water hadden moeten opzoeken en consequent
stroomafwaarts hadden moeten lopen. Maar de andere vonden dat ze daardoor te
veel kilometers zouden moeten maken om de meanderende beken en riviertjes te
volgen. Alleen die lieverd Johan had haar gesteund. Maar als ze zelf nog niet
wisten wat er tussen hen speelde, dan maakte de groep dat wel gijnend en
grappend duidelijk. Zijn stem werd dus genegeerd. Zij en Johan…

Het idee sprak haar aan en blijkbaar was Johan ook niet
afkerig. Maar een weduwnaar heeft soms erg lang napijn. Zelf speelde het
wantrouwen over het concept ‘man’ nog op de achtergrond. Max was een hufter
geweest, punt. Maar … tja… de natuur eist zijn rechten.

Even bleef ze zo liggen, roerloos in het donker, opgerold
onder haar donzen slaapzak op de vloer van de blokhut. Dat ze onder de slaapzak
was gekropen, stond haar nog maar heel vaag bij; het moest na drieën zijn
geweest toen ze in slaap was gevallen. Het laatste wat ze wist, was dat John en
Johan nog aan de eettafel hadden gezeten, rustig keuvelend en probeerden met
overleg eruit te komen wat er vandaag zou gebeuren. De rest van het kwintet had
het enige afgescheiden bed ingenomen. Hm… waar was John? Zijn rugzak en
slaapzak lagen onder de tafel. Die was blijkbaar al op ochtendverkenning.
Het was dan ook al te donker geweest om gisteren nog een rondje te maken rond
de hut.

Nu was het doodstil. De kamer was in schaduwen gehuld, net
als de rest van de hut. Toen ze op haar rug rolde, raakte haar schouder iets
warms en stevigs. Johan. Hij roerde zich en bromde iets onverstaanbaars.

“Ben je wakker?” Fluisterde ze.

Hij rolde om en trok haar half slapend in zijn armen. Ze
begreep dat hij puur instinctief naar haar toe werd getrokken; het ene warme
lichaam op zoek naar het andere. Of misschien was het de herinnering aan zijn
vrouw, naast hem in bed, nooit uit zijn gedachten, wachtend op zijn omarming.
Ze gunde hem die droom nog even. Laat hem in zijn halfslaap maar denken dat ik Leen
ben, dacht ze. Wat kan het voor kwaad? Hij heeft die herinnering nodig. En ik
kan zijn warmte goed gebruiken.

Ze nestelde zich in zijn armen, in dat veilige plekje dat
vroeger een ander had toebehoord. Ze deed het zonder stil te staan bij de
gevolgen, in de wens op te gaan in de fantasie dat ze, hoe tijdelijk ook, de
enige vrouw ter wereld was van wie hij hield. Wat voelde dat goed, zó veilig,
beschermd, met zorg omringd. Het was een toevluchtsoord, van de geur van zeep
en zweet van zijn borst tot de ruwe stof van zijn overhemd. Zijn warme adem
streek over haar haren, en hij fluisterde woorden die bestemd waren voor een
ander, kuste haar kruin.

Toen omsloot hij haar hoofd met zijn handen, drukte zijn
mond op de hare en kuste haar met zo’n naakt verlangen, dat de hunkering ook
bij haar opvlamde. Ze reageerde puur instinctief, met het verlangen van een
vrouw die al te lang van liefde verstoken was geweest. Ze kuste hem terug, even
innig en hongerig als hij.

Meteen was ze verloren, meegesleurd in een weergaloze
waanzinnige draaikolk. Hij streelde haar gezicht, haar hals. Zijn handen
daalden af naar de knoopjes van haar blouse. Ze drukte zich tegen hem aan, met
borsten die opeens schreeuwden om zijn aanraking. Het was zo lang, zo vreselijk
lang geleden.
Ze had geen idee hoe de blouse openviel. Ze wist alleen dat
zijn hand het ene moment nog over de stof streek en het volgende moment om haar
borst lag. Dat onverwachte contact van huid op verboden huid, de magische marteling
van zijn vingers die haar tepel liefkoosden, lieten haar laatste restje verzet
wegsmelten. Hoeveel kansen kregen ze nog? Hoeveel nachten samen? Het konden er
haar nooit genoeg zijn, een eeuwigheid aan nachten wilde ze, maar misschien
bleef het voor hen wel hierbij. Ze verwelkomde het, verwelkomde hem, met alle
hartstocht van een vrouw die nog een laatste keer van de liefde mag proeven.

Haar ervaren handen gleden over zijn overhemd, maakten de
knoopjes los, streken tastend door het dichte haar op zijn borst naar zijn
broekband. Daar liet ze haar handen rusten, en aan de manier waarop hij zijn
adem inhield, merkte ze dat hij ook niet meer terug kon. Samen morrelden ze aan
knopen en ritsen, allebei bevangen door een koortsachtige behoefte aan
bevrijding. Alles viel van hen af in die wervelstorm van katoen en kant. Toen
het laatste kledingstuk verdween en niets hen meer scheidde dan de
fluweelzachte ochtendschemering, stak ze haar armen naar hem uit en trok hem
naar zich toe.

Het was een heerlijke vervulling, alsof hij met die eerste
diepe stoot niet alleen haar lichaam, maar ook een al heel lang gapende leegte
in haar ziel vulde.

“Alsjeblieft,” prevelde ze, een smeekbede die verzandde in
een zachte kreun.

Hij hield meteen in. “Lena,” zei hij vragend. Zorgelijk omvatte
hij haar gezicht met zijn handen. “Wat is er?”

“Alsjeblieft, niet ophouden…”

Zijn lachje stelde haar gerust. “Dat was ik ook helemaal
niet van plan,” fluisterde hij. “Geen haar op mijn hoofd…”

En hij hield ook niet op. Niet voordat hij hen had meegenomen
naar een plek waar ze elke nare gedachte ver achter zich lieten. Naar een plek
hoger en verder dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. Pas toen de ontlading
kwam, golf na oneindige golf, besefte ze tot welke duizelingwekkende hoogte ze
gestegen waren.

Een zalige vermoeidheid maakte zich van hen meester.

Buiten floot een vogel in de door zon doorkliefde
ochtendschemering. Binnen verbrak alleen hun ademhaling de stilte.

“Dank je wel.”

Vera Versmissen

Graag jouw waardering
als reactie onder dit verhaal?